Voor leerkrachten · 9 minuten lezen

Executieve functies in het basisonderwijs: wat je ziet in groep 5 t/m 8.

Je geeft een instructie van drie stappen en bij stap twee gaat de eerste vinger omhoog. Een kind zit tien minuten naar een leeg blaadje te kijken voordat het begint. Een ander is zijn gymtas voor de derde keer deze maand kwijt. Dat is geen lastig gedrag, dat zijn executieve functies die nog groeien. Hieronder staat waar je ze aan herkent, wat per groep normaal is en hoe je het in kaart brengt.

Kind dat geconcentreerd aan een schooltaak werkt

Wat executieve functies zijn, in gewone taal

Executieve functies zijn de regelfuncties van de hersenen. Ze bepalen of een kind aan iets begint, onthoudt wat het aan het doen was, zijn eerste impuls inhoudt, doorgaat als het saai wordt en merkt dat een aanpak niet werkt. In kindertaal: de baas in je hoofd.

Ze zitten voorin de hersenen, en dat deel is als laatste klaar. Niet in groep 8, niet in de brugklas, maar ergens rond het vijfentwintigste jaar. Alles wat je in de klas ziet aan niet beginnen, vergeten en niet volhouden, speelt zich af in een gebied dat nog in aanbouw is. Dat verklaart waarom uitleggen zo weinig doet: het kind weet allang wat de bedoeling is.

Het verschil tussen kinderen van dezelfde leeftijd is groot. In één groep 6 zitten kinderen die een werkstuk zelf in stukken knippen naast kinderen die na de instructie nog niet weten waar ze moeten beginnen. Twee jaar verschil is gewoon, en het zegt niets over intelligentie of inzet.

Waar je het aan herkent in de klas

Je hoeft de elf functies niet uit je hoofd te kennen. In de klas zie je vooral deze vijf, en ze hebben elk een eigen gezicht.

Niet beginnen

Het blaadje ligt er, de instructie is gegeven, en er gebeurt niets. Niet uit onwil, maar omdat de eerste handeling niet vanzelf komt. Je herkent het aan het kind dat wel begint zodra jij ernaast staat en de eerste zin aanwijst.

De instructie kwijt

Bij een opdracht van drie stappen gaat na stap twee de vinger omhoog. Dit is een zwak werkgeheugen, niet slecht luisteren. Je ziet het ook aan het kind dat halverwege een som vergeet wat het aan het uitrekenen was.

Spullen kwijt

De gymtas, het huiswerkboek, de brief voor thuis. Kinderen met een zwakke organisatie raken dingen kwijt op alle plekken, ook thuis en ook bij de sportclub. Dat laatste is een handig onderscheid, want een kind dat alleen zijn rekenschrift vergeet, heeft iets anders aan de hand.

Eerst doen, dan denken

Roepen voor de beurt, iets pakken van een ander tafeltje, opstaan terwijl de instructie nog bezig is. Dit is een zwakke rem. Het kind weet de regel, maar op het moment zelf komt de handeling eerder dan de gedachte.

Afhaken als het saai wordt

Enthousiast beginnen, na vijf minuten kijken wat de buurman doet. Volgehouden aandacht is een vaardigheid die tussen groep 5 en groep 8 nog flink groeit, en waar de spreiding tussen kinderen het grootst is.

Wat per groep normaal is

Onderstaande richtlijn helpt om te zien of je iets vraagt wat een kind nog niet kan, of juist te weinig vraagt. Het zijn gemiddelden. Een kind dat er twee jaar onder zit, valt nog binnen de gewone spreiding.

Groep 5 en 6 (8 tot 10 jaar)

Lukt meestal: een opdracht van twee stappen onthouden, vijftien tot twintig minuten aan een taak werken, spullen opruimen na één herinnering, een korte opdracht zelfstandig afmaken als de start duidelijk is.

Vraagt nog hulp: zelf beginnen zonder aanwijzing, inschatten hoelang iets duurt, een taak die pas volgende week af hoeft in delen knippen, doorgaan als het saai wordt.

Groep 7 en 8 (10 tot 12 jaar)

Lukt meestal: huiswerk voor morgen zelf maken als het opgeschreven staat, een werkstuk opdelen als dat een keer is voorgedaan, een tas inpakken, twintig tot dertig minuten geconcentreerd werken, een weektaak afmaken als er tussentijds wordt gekeken.

Vraagt nog hulp: een hele week overzien, beginnen aan iets dat pas over tien dagen af moet, zelf merken dat een aanpak niet werkt en die dan aanpassen.

Dat laatste rijtje is precies wat de brugklas een half jaar na groep 8 wel vraagt: twaalf vakken, een agenda, huiswerk dat je zelf verdeelt. Groep 8 is daarom niet de plek om te constateren dat het nog niet lukt, maar de plek om het te oefenen terwijl er nog iemand meekijkt.

Het verschil met onwil

De vraag die elke leerkracht zich stelt: kan dit kind het niet, of wil het niet? Er zijn drie dingen die helpen om dat te zien.

Ten eerste: gaat het ook mis bij dingen die het kind leuk vindt? Een kind dat ook bij de knutselopdracht niet begint en ook zijn voetbalspullen vergeet, heeft een zwakke functie. Een kind dat alleen bij rekenen niet begint, heeft meestal iets anders aan de hand, en dat is beter bespreekbaar.

Ten tweede: lukt het wel met een klein duwtje? Een kind met een zwakke taakinitiatie begint zodra jij de eerste zin aanwijst. Een kind dat niet wil, begint dan ook niet.

Ten derde: heeft het kind er zelf last van? Kinderen met zwakke executieve functies zeggen vaak dat ze dom zijn, worden boos op zichzelf als ze weer iets kwijt zijn, of gaan werk uit de weg omdat het toch niet lukt. Dat is geen onverschilligheid. Dat is een kind dat al jaren merkt dat het iets niet kan wat klasgenoten wel kunnen.

Wat je in de klas doet

Het principe is dat jij de functie tijdelijk uitleent en daarna stap voor stap teruggeeft. Dat kost geen aparte les. Het zijn kleine aanpassingen in hoe je een gewone opdracht geeft.

Zet de eerste handeling op het bord

Niet "maak opdracht 4", maar "pak je schrift, schrijf de datum en lees de eerste zin van opdracht 4". Kinderen die niet beginnen, beginnen wel als de eerste stap klein genoeg is. Na een paar weken laat je ze de eerste stap zelf opschrijven.

Laat de instructie staan

Stappen op het bord, op een kaartje op tafel, of in de weektaak. Dit is geen extra steun, dit is het weghalen van een obstakel dat niets met de leerstof te maken heeft. Het hoeft nooit afgebouwd te worden.

Laat tijd schatten

Vraag voor een taak hoelang het kind denkt dat het duurt, en kijk achteraf samen of dat klopte. Kinderen die altijd te laat klaar zijn, schatten te laag, en zolang niemand dat zichtbaar maakt, blijven ze dat doen.

Praat erover in kindertaal

"Je baas in je hoofd was even weg, hoe krijg je hem terug?" werkt beter dan "je moet beter opletten". Het eerste maakt het een vaardigheid die je kunt oefenen, het tweede maakt het een karaktertrek.

Kinderen die op één functie zwak zijn, zijn op een andere vaak sterk. Een kind dat niet kan beginnen, houdt soms juist heel lang vol als het eenmaal loopt. Zet dat in. In het artikel over talenten ontdekken in groep 5 t/m 8 staat hoe je die sterke kant vindt.

Weten hoe zelfstandig jouw groep 7 of 8 werkt?

De EF-check combineert vragen aan het kind met vier korte opdrachten over plannen, volhouden en zelfstandig werken. In één les afgenomen, met een klasrapport dat laat zien welke functies in jouw groep sterk en zwak zijn. Een gespreksstarter, geen toets.

Zet de EF-check klaar

Hoe je het in kaart brengt

Observeren in drie situaties is de basis: bij een instructie, bij zelfstandig werken en bij iets wat het kind leuk vindt. Zie je hetzelfde patroon op alle drie de plekken, dan heb je een functie te pakken. Zie je het maar op één plek, dan is er iets anders aan de hand.

Daarnaast helpt het om het kind zelf te vragen. Kinderen in groep 7 en 8 kunnen verrassend goed vertellen waar het misgaat, als je het concreet vraagt: "Wat gebeurt er in je hoofd als je een opdracht krijgt en nog niet begint?" De antwoorden zijn vaak precies de informatie die je nodig hebt.

De EF-check van Talententest doet beide in één les: vragen aan het kind en vier korte opdrachten waarin je het kind ziet plannen, volhouden en zelfstandig werken. Het klasrapport laat per functie zien waar de groep staat en bij welke kinderen je begint. Het is een gespreksstarter voor het oudergesprek en voor de overdracht naar het voortgezet onderwijs, geen diagnose.

Dat oudergesprek is trouwens het moment waar dit onderwerp het meest oplevert. Ouders herkennen thuis precies hetzelfde patroon, en horen vaak voor het eerst dat het een vaardigheid is en geen karaktertrek. In het oudergesprek over talenten staat hoe je zo'n gesprek opbouwt.

Veelgestelde vragen

Wat zijn executieve functies in kindertaal?

De baas in je hoofd. Het stukje dat zegt: begin nu, onthoud wat je aan het doen was, wacht even met roepen, en ga door ook al is het saai. Kinderen snappen dat meteen, en het helpt om er in de klas gewoon zo over te praten.

Wat mag je van een kind in groep 8 verwachten?

Huiswerk voor morgen zelf maken als het opgeschreven staat, een werkstuk in delen knippen als dat een keer is voorgedaan, een tas inpakken en twintig tot dertig minuten geconcentreerd werken. Een hele week overzien lukt de meeste kinderen nog niet, en dat is precies wat de brugklas een half jaar later wel vraagt.

Hoe zie ik het verschil tussen zwakke executieve functies en onwil?

Kijk of het ook misgaat bij dingen die het kind graag doet. Een kind dat ook bij de knutselopdracht niet begint en ook zijn voetbalspullen vergeet, heeft een zwakke functie. Een kind dat alleen bij rekenen niet begint, heeft iets anders aan de hand.

Kun je executieve functies meten in de klas?

In beeld brengen wel, meten in de strikte zin niet. De EF-check van Talententest combineert vragen aan het kind met vier korte opdrachten over plannen, volhouden en zelfstandig werken, in één les voor groep 7 en 8. De uitslag is een gespreksstarter, geen toets en geen diagnose.

Is een zwakke executieve functie hetzelfde als ADHD?

Nee. Bij ADHD zijn executieve functies bijna altijd zwakker, maar veel kinderen met zwakke executieve functies hebben geen ADHD. Ze lopen gewoon twee jaar achter op leeftijdgenoten in een vaardigheid die tot ver in de twintig doorgroeit. De aanpak in de klas is in beide gevallen hetzelfde.

Beginnen bij wat kinderen kunnen

Een kind dat zwak is in beginnen, is vaak sterk in iets anders. De talententest brengt in één les in beeld waar elk kind goed in is, met een rapport voor de hele groep.

Bekijk de talententest