Voor leerkrachten · 8 minuten lezen
Kindgesprekken voeren in groep 3 tot en met 8: vragen, formulier en de tijd die je niet hebt
Iedereen vindt kindgesprekken belangrijk en bijna niemand komt eraan toe. Dat komt doordat ze meestal worden gepland als een gesprek van twintig minuten, en die tijd is er dertig keer per jaar niet. Met vijf minuten en vier vaste vragen kom je verder dan je denkt.
Wat een kindgesprek wel en niet is
Een kindgesprek is een kort gesprek waarin je het kind vraagt hoe het zelf vindt dat het gaat. Het is geen evaluatiegesprek, geen correctiemoment en geen verkapte waarschuwing. Zodra het dat wel wordt, stopt het kind met eerlijk antwoorden en heb je er twee jaar last van.
Het doel is informatie die je nergens anders vandaan haalt: waar een kind trots op is, waar het tegenaan loopt en wat het denkt nodig te hebben. Die drie dingen sturen je aanpak vaak meer dan een toetsuitslag.
Praktisch betekent dat: jij praat weinig, je geeft geen adviezen tijdens het gesprek, en je corrigeert het beeld van het kind niet. Hoort een kind van jou dat het zijn eigen prestaties verkeerd inschat, dan is het laatste kindgesprek geweest.
De vier vragen
Deze vier vragen passen in vijf minuten en werken van groep 3 tot en met groep 8. Stel ze in deze volgorde en stel geen vervolgvraag die met 'waarom' begint, want daar voelt een kind een oordeel in.
- Waar ben je de laatste tijd trots op? Begin altijd hier. Een kind dat meteen met een probleem begint, praat over jouw agenda en niet over de zijne.
- Wat vind je op dit moment het moeilijkst? Laat de stilte vallen. Het eerste antwoord is vaak een vak, het tweede antwoord gaat over iets anders.
- Wat helpt jou als iets moeilijk is? Hier krijg je de aanpak aangereikt die het kind zelf gelooft, en dat is de aanpak die werkt.
- Wat zou je willen dat ik anders doe? De moeilijkste vraag om te stellen en de nuttigste om te horen. Vanaf groep 5 krijg je hier bruikbare antwoorden.
Noteer de antwoorden in de woorden van het kind, niet in jouw samenvatting. 'Ik snap het pas als ik het twee keer heb gedaan' is bruikbaar; 'heeft herhaling nodig' is een interpretatie die je later niet meer kunt controleren.
Wat er op het formulier hoort
Eén A5 per kind is genoeg, en dat is met opzet klein. Een groot formulier nodigt uit tot schrijven tijdens het gesprek, en schrijven tijdens het gesprek haalt de aandacht weg bij het kind.
- Naam, groep, datum.
- De vier vragen met drie regels eronder.
- Een vakje 'afspraak', met plek voor één afspraak en een datum waarop je erop terugkomt.
- Een vakje 'opvallend', voor wat jou verraste. Dat vakje is het waardevolst bij de leerlingbespreking.
Bewaar de formulieren op één plek en pak ze er bij het volgende gesprek bij. Een kind dat merkt dat jij nog weet wat het vorige keer zei, vertelt de tweede keer meer.
Kindgesprekken beginnen makkelijker met een talentenkaart
De talententest geeft elk kind woorden voor wat het goed kan. Dat maakt de eerste vraag van het gesprek een stuk makkelijker te beantwoorden.
Bekijk de talententest
Een rooster waarmee je de klas in drie weken spreekt
Dertig kinderen van vijf minuten is twee en een half uur. Verspreid over drie weken zijn dat twee gesprekken per dag, en die passen in momenten die er al zijn.
- Tijdens het zelfstandig werken, aan een tafel achterin. Twee kinderen per keer.
- In de eerste tien minuten van de dag, als de klas aan een inloopopdracht werkt.
- Tijdens de gymles, als er een vakleerkracht staat. Twee kinderen per les, dan ben je in vier gymlessen door de helft van de klas.
Plan ze in je agenda met naam en al, en niet als 'kindgesprekken'. Een blok zonder namen schuift door; twee namen op dinsdag schuiven niet.
Begin met de kinderen van wie je denkt dat je ze al kent. Dat klinkt verkeerd om, maar juist daar hoor je het vaakst iets dat je niet wist, en dat is de motivatie die je nodig hebt om de andere achtentwintig ook te doen.
Jongere kinderen, groep 3 en 4
Bij jonge kinderen werken dezelfde vragen, maar korter en concreter. Vraag naar vandaag en niet naar de afgelopen weken, want die tijdspanne is voor een kind van zes nog te groot.
Een hulpmiddel dat goed werkt is iets om vast te houden of te wijzen: drie smileys, of vier plaatjes van activiteiten. Een kind dat kan wijzen, hoeft niet meteen te formuleren.
Houd het bij drie minuten. In die drie minuten hoor je bij een kind van zeven net zo veel als in tien, en de laatste zeven minuten leveren vooral antwoorden op waarvan het kind denkt dat jij ze wilt horen.
Wat je doet met wat je hoort
Maak per gesprek één afspraak, en niet meer. Een afspraak die uit het kind zelf komt, wordt nagekomen; een afspraak die jij bedenkt, is een opdracht.
Kom er binnen twee weken op terug, al is het met één zin in het voorbijgaan. Dat moment bepaalt of het kind het volgende gesprek serieus neemt.
Neem in het oudergesprek mee wat het kind zelf zei, in zijn eigen woorden. Ouders horen daarin vaak iets terug wat ze thuis ook zien, en dan gaat het gesprek meteen over de inhoud.
Veelgestelde vragen
Hoe lang duurt een kindgesprek?
Vijf minuten in groep 5 tot en met 8, drie minuten in groep 3 en 4. Langer maakt het niet beter: na vijf minuten gaan kinderen antwoorden geven waarvan ze denken dat jij ze wilt horen.
Waar voer je een kindgesprek?
In het lokaal, aan een tafel waar de rest niet meeluistert, tijdens het zelfstandig werken. Een aparte ruimte maakt het gesprek zwaarder dan het is en kost bovendien tijd om heen en weer te lopen.
Wat doe je als een kind niets zegt?
Stel geen extra vragen maar laat de stilte staan, tel rustig tot tien. Blijft het stil, geef dan twee opties in plaats van een open vraag. En stop op tijd: een kort gesprek dat goed voelt, maakt het volgende makkelijker.
Leg je een kindgesprek vast in het leerlingvolgsysteem?
Leg de afspraak vast en het opvallende punt, in gedrag beschreven. De letterlijke antwoorden van een kind horen op jouw formulier, niet in een systeem dat later door anderen gelezen wordt.
Vanaf welke groep hebben kindgesprekken zin?
Vanaf groep 3, met aangepaste vragen en hulpmiddelen om naar te wijzen. In groep 1 en 2 hoor je hetzelfde in het spel, en daar is een apart gesprek niet voor nodig.
Geef kinderen woorden voor wat ze kunnen
Kinderen die weten waar ze goed in zijn, praten makkelijker over wat moeilijk is. De talententest levert die woorden in één les, voor de hele klas.
Bekijk de talententest